Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.
’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.
In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten