dinsdag 3 februari 2026

Oostende

Elke wekker opnieuw, vroeger dan het vroeg van gisteren. Het aansnijden van de dag, met een bot mes.
De ochtend spoort richting de zee. Geen golf gezien. Al droom ik nog zo hard.
De hoogbouw perst me door straten, die ik niet wil bewandelen. De lucht grauwt om zich heen, alle blauw is bewolkt. 
Ik heb geen idee. Oostende spoelt aan, verzand in deze dag. Alles voelt aan als aankomende hoofdpijn. De avond rolt me terug naar huis. Achterwaarts het bed in, hopend op een zachtere wekker. 




zondag 1 februari 2026

Schelde

Het water wordt gedeeld: vissen, futen en Canadezen.
Erlangs loopt het pad, bevolkt door de sporadische mens.
Schepen glijden voorbij, hun adem inhoudend.

Populieren pochen in het grijs, wie het hoogst reikt, vangt de meeste wind.
Ondertussen graven hun wortels alles onder, tot aan het weiland toe.

De boer ploegt onverstoorbaar verder.
De reiger zweeft sierlijk voorbij, de aalscholvers stuiteren over de stroom.
Mijn ogen dwalen rond.

De Schelde sleept haar verhaal mee,
een eeuwige fietser snijdt de wind.
In de verte luidt een gindse klok,
een wandelaar roept zijn losse hond.

Een bankje nodigt me uit te zitten.
Stop het leven!

zaterdag 31 januari 2026

Donderdag groen

Sommige dagen zijn groen. Donderdagen vooral. Donker groen. Andere dagen zijn weer anders. Elke kleur heeft zijn eigen nummer. Blauw zal altijd drie zijn. En elk nummer verteld zijn eigen verhaal. Vaak iets over zielen. Gevangen tussen eigen muren.

Ikzelf ben paars. Achtergelaten op het einde van de roze dag. Mijn kennis beperkt zich tot wat ik weet. Niet verder. Niet dichter. Er is geen nummer, nooit geweest. De ziel is verdampt, doorheen de cellen van gebakken steen.

Elke week besta ik wat langer, elke week besta ik nog minder lang. Mijn dichten is beperkt. Tot mezelf, mezelf kan ik nog net dichten, in alle mogelijke kleuren. Enkel met woorden, cijfers ontglippen mij. Er is uiteindelijk geen dag dat ik niet ben.

donderdag 29 januari 2026

Angelique

De bloedloze lange gang,
Mijn zacht snerpende schoenen
Kondigen mijn passage aan
De deur die altijd openstaat,
Staat open

Er is bezoek, weelderig bezoek
Groot, mooi en stijlvol zelfzeker
Niets voor mij
Ik ben er, ik snerp voorbij
Ze draait zich om, een lach

Ik ben alweer verder
Keek ook en lach nu pas
Wat was is verleidelijk mooi
Niets voor mij
De grauwe gang is voorbij

dinsdag 27 januari 2026

mezelf

Wanneer ik alleen op kantoor ben, werk ik niet. Dan doe ik niets, zoals elk verstandig mens zou doen. Als ik productief wil zijn, moet er bijna altijd iemand in dezelfde ruimte zijn—een stilzwijgende getuige, een adem die bewijst dat ik besta. Alleen, in die stille kamers, geef ik mezelf over aan wat men nutteloos noemt: naar buiten staren, gedachten laten meanderen, dromen, hopen. Voor mij is dit geen luiheid, maar de logische aard van dingen. Pas wanneer iemand kijkt, begin ik te bewegen. Hun ogen dwingen mijn handen. Zodra ze zich afwenden, verstil ik opnieuw, als in een omgekeerde versie van het spel 1, 2, 3 piano. Hun blik is het sein; zonder dat signaal sta ik stil, als een klok die niet meer tikt.
Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.

’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.

In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.


maandag 26 januari 2026

Grijze maandag

Eerste hulp bij eerste dagen van de week
Geen hulp gezien
Gisteren slaapt al, morgen nog een verre droom
En dan kom jij ten tonele
Alles staakt, gaat kapot
De lucht ademt enkel nog in
Het hart uit, 
Gevoelens struikelen over elkaar
Angst voor de buitenkant 
Maar jij blijft
De vlucht is mijn deel
Naar een andere dag, maand

Kon ik je maar wegduwen 
Naar een ander moment 
Zonder hulp

Of stel je voor

Dat ik echt van jou kon houden

zondag 25 januari 2026

zondag

De dagen zijn verkalkt.
Het leven sijpelt er nog door,
wit en stroef.
Wat eruit komt is schraal,
een lauwe woordenwisseling
tussen links en rechts,
beiden dezelfde tong gebruikend
om het tegendeel te likken.
De provocatie regeert.
De nachten zijn dichtgeslibt.
Onveiligheid staat overal in file.
Hij rijdt voorbij op zijn fatbike,
onverschilligheid achterop,
hand op de schouder.
Iedereen is verontwaardigd.
Verongelijkt.
Altijd is er een ander schuldig.
Altijd een ik dat slachtoffer is.
Ook dat andere ik.
Zondag is dwaas.
Het gaatje in de binnenband van de week.
De dag waarop de mens wordt leeggeknepen
tot beweging,
tot vrijheid,
tot iets doen.
Nog even,
voor zes dagen ergernis opnieuw beginnen—
vanzelfsprekend door de ander,
en door het systeem,
dat nergens staat
maar overal stuurt.

Oostende

Elke wekker opnieuw, vroeger dan het vroeg van gisteren. Het aansnijden van de dag, met een bot mes. De ochtend spoort richting de zee. Geen...